Documentatie

Familie Deman tijdens en na WOI (door Joris Deman)

 

 

 

Aan de herdenking van het uitbreken van de eerste wereldoorlog kunnen we als familie Deman ook een kleine bijdrage leveren. Onze tante Augusta heeft de zichtkaarten opgespaard die de gezinsleden tijdens die oorlog ontvingen. Ze deed dat waarschijnlijk om hetgeen op de voorkant ervan afgebeeld was, en niet om de tekst op de achterkant. Voor ons is de achterkant natuurlijk het belangrijkste. Daar lezen we hoe men de oorlog beleefde. Men kan er ook de geschiedenis van het  gezin van August Deman tijdens de oorlog mee reconstrueren. Wij zijn reeds de kleinkinderen, en hebben ook al kleinkinderen. Onze kinderen en kleinkinderen zullen ongetwijfelmet belangstelling die geschiedenis lezen.

 

1. De algemene situatie in 1914 

Toen Duitsland op 4 augustus 1914 België binnenviel, woonden mijn vier grootouders allen in Sint-Joris bij Nieuwpoort. Het kleine dorp is naast de IJzer gelegen. Daarom heeft het de alternatieve naam Sint-Joris aan de IJzer.  

 

Het gezin van August Deman en Renilde Ryckebusch (resp. 49 en 44 jaar in 1914) had zes kinderen waarvan de oudste Marie 19 jaar was, en de jongste Marcel 1 jaar. Op Marie volgden: Augusta (17 j.), Alice (14 j.), Gerard  (11 j.) en Jeroom (7 j.).

 

In het gezin van mijn moeder waren er in 1914 vier kinderen. Mijn moeder, het oudste kind, was 7 jaar in 1914. Haar ouders heetten Karel Hubrecht en Leonie Ester. Tijdens de oorlog verbleven ze samen met hun kinderen in Vigny in Frankrijk (Dept Seine-Oise)

 

Toen het  Duitse leger  zich te pletter gelopen had in de Slag bij de Marne (6 – 9 sept. 1914), richtte de aanval zich op de Franse havensteden Duinkerken en Calais. Dit resulteerde in hetgeen bekend zou worden als de Slag aan de IJzer. Op 13 oktober hadden Franse, Britse en de uitgeputte Belgische troepen zich achter de IJzer en de Ieperlee opgesteld. Tijdens de veldslag die duurde van 18 tot 31 oct 1914, werd de streek onder water gezet. Dat was de beslissende factor die de Duitse opmars stuitte. Het gevolg was dat de mensen die in de nabijheid van  de rivier woonden, en dus ook de gezinnen van mijn ouders, hun huizen gedurende gans de tijd van de oorlog niet meer konden bewonen. Het front lag voor vier jaar vast, en het duurde tot 1919 voor de eerste bewoners terugkeerden. Toen was alles in de frontstreek onherkenbaar verwoest. In West-Vlaanderen waren 65.000 woningen totaal vernield.

In dit relaas gaat het uitsluitend om de lotgevallen van het gezin Deman, aangezien we alleen bij hen kunnen steunen op geschreven documenten. 

Het gezin Deman trok in bij een broer van Renilde nl. Henri Ryckebusch die te Bulskamp woonde en er een smidse en herberg uitbaatte. Ze bleven er tot halverwege 1915. Henri was de dooppeter van mijn vader Gerard. Vader  had het vaak over nonkel Henri, de peerdesmid in Bulskamp.

 

Bulskamp lag een tiental kilometer achter het front in het gebied waar de soldaten  uitrustten of waar ze corveediensten verrichten. Aangezien het gezin in een herberg woonde, zullen ze gedurende het eerste jaar van de oorlog veel Belgische soldaten hebben leren kennen. Vandaar misschien die drukke briefwisseling met frontsoldaten toen ze later naar Frankrijk geëmigreerd waren.

 

De verhuis naar Frankrijk verliep in twee fasen. Eerst  kwamen in juni of juli 1915, vier van de kinderen naar Sarcelles bij Parijs: Marie, Alice, Gerard en Jeroom. Ze werden opgenomen in de Colonie Scolaire Belge die door kloosterzusters uit Loker bij Poperinge beheerd werd. Gerard en Jeroom volgden er lager onderwijs. Marie en Alice hielpen er bij de opvang van de vluchteling-kinderen. Op 31 juli 1915 schrijft Gerard een kaartje naar zijn ouders in Bulskamp waarin hij ver-meldt dat hij nieuwe kleren gekregen heeft. Op 16 augustus 1915 schrijft August terug en geeft Gerard de vaderlijke raad om goed zijn best te doen op school.

 

Het andere deel van het gezin bestaande uit August en Renilde, Augusta en Marcel vertrok uit Bulskamp in september 1915. Na omzwervingen achter het front in Noord-Frankrijk, vestigden ze zich uiteindelijk in Chailly en Brie bij Coulomniers (Dept. Seine-Marne). August zou er in 1918 sterven. 

 

 

 
 

 

 

                                 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De schoolkolonie was gehuisvest in het kasteel van Sarcelles 

 

2. Briefwisseling tussen de gezinsleden.

 Ik kan natuurlijk niet de inhoud van alle kaartjes hier weergeven. De meeste kaartjes zijn er gewoon om contact te onderhouden en mekaar te melden dat alles goed gaat en dat men in goede gezondheid verkeert 

 

       
   

 

 

 

 

 

       August Deman en Renilde Ryckebusch

 

 

 

De  kaartjes na aankomst van de kinderen in Sarcelles, tussen Gerard en vader August heb ik al vermeld

 

Dan is een kaart van onbekende datum die in Frankrijk gepost is en aan Gerard gericht. Daarin schrijft August:“Wij zullen u allen een bezoek op het onverwachts doen eens dat we iets zullen gevonden hebben. Wij hebben reeds alle soorten gezien in Frankrijk. Er zijn hier duizende engelsche soldaten. Die zullen naar het front gaan in het korte. Misschien dat er dan zal verandering komen. De complementen aan Marie en Alice van ons allen. We geven u van verre onze beste zegen.”

 

Korte tijd daarna moet het gezin Bulskamp verlaten hebben, en Frankrijk ingetrokken hebben op zoek naar woonst en werk.

 

De reis naar Chailly en Brie  Heb maar couragie, wij naderen toch gedurig”        

 Augusta  doet verslag aan broers en zussen in Sarcelles 

Een kaartje aan Alice: “We zijn nu twee dagen op weg. Ik weet niet juist waar we zijn. We zijn toch in Pas de Calais... “. De kaart is afgestempeld met een legerstempel ('Le Chef du Bataillon.. ').

 

Een volgend kaartje van Augusta aan Marie:“... Ik laat u weten dat we nu te Abbeville zijn. Binnen twee dagen zullen wij waarschijnlijk vertrekken, 80 kilometer nader van Parijs. Heb maar couragie, wij naderen toch gedurig. Het gaat ons voort wel en met Marceltje ook ...”

 

De vluchtelingen verblijven een lange tijd in Hermes bij Beauvais dat inderdaad ongeveer 80 km van Parijs ligt.  


Er is een kaartje gedateerd op 18 sept 1915 waarin Augusta schrijft: “Liefste zusters en broeders. We zijn nu eindelijk aangekomen in Hermes... Ons adres is: Mr. August Deman, refugié belge à Hermes les Beauvais.“

 

Als antwoord volgt een kaartje van Gerard gedateerd op 21 oktober 1915: “Beminde ouders.... Wij hebben uwen brief ontvangen en gezien dat ge goed te Hermes aangekomen zijt...”

 

Er is een kaartje van 19 november 1915 geschreven door Augusta uit Hermes en gericht aan Gerard waarin ze vraagt of Gerard een brief wil schrijven naar Emiel Ester (ook een jongen uit St Joris afkomstig) om hem te vragen waar zijn ouders zijn, en hun adres mee te delen. “Wij trekken nog niet verder.... “. 

Dan is er een lange beschrijving door Augusta van de aankomst in Chailly en Brie (postdatum 31-12-1915):  

 

“ Wij hebben nogal veel Belgen gezien in het hotel Albert 1er. Wij zijn dan vertrokken van Parijs rond 2 uur, en hier 's avonds aangekomen te Coulomniers rond 5 uur. Georges Broecke was aan de statie met de voiture. Wij moesten dan nog 5 kwart  rijden eer we te Broeckens waren. ... Het zijn al Belgen dat ze op hun hof hebben. Vader is ook goed en zonder ongelukken aangekomen”.Het huis waarin ze zullen verblijven is oud en vuil. Augusta schrijft:We zullen eerst moeten de muren afschuren, en dan witten want ze zijn kavezwart.”('kave' = schoorsteen). Dan geeft Augusta de richtlijnen om uit Sarcelles naar Coulomniers te komen:“Ik denk dat ge ook in de noordstatie aankomt te Parijs. Ge moet maar de weg vragen naar de ooststatie, en dan de trein naar Coulomniers nemen. Ge kunt niet missen. En komt maar voor twee, drie dagen. Ik zal te Coulomniers aan de statie zijn.”

 De kaart is gericht aan Marie, Alice en Gerard.      

 De ouders zijn in Chailly en Brie 

Een kaartje door Augusta geschreven uit Chailly en Brie naar Sarcelles, en gedateerd 31 mei 1916:Lieve broeders en zusters... Moeder is zo goed als genezen en is reeds hele dagen op... veel couragie, en de complimenten van vader, moeder en Marceltje..”

 

August werd ernstig ziek en stierf op 29 september 1918. Hij ligt begraven in Chailly en Brie.

 

Een kaart van Marie gedateerd op 11 augustus 1918 gericht aan haar ouders, broertje en zuster in Chailly en Brie, dus zes weken voor August's overlijden. Het kaartje is verzonden uit de 'Colonie Scolaire – Les Enfants de l'Yser' te Bougival dat in de nabijheid van Parijs ligt. Uit hetgeen Marie schrijft blijkt dat Alice ook te Bougival verbleef, waarschijnlijk als dienstmeisje bij een burgerfamilie:

 

“We zien ze (=Alice) ook bijna alledage als we naar de kerk gaan. We passeren juist voor de deur. Vadertje, hoe gaat het nu met u? Betert ge nog niet een weinig? Lijdt ge nog zoveel? Bidt ge nog voorts uw novene der drie  Weesgegroeten?...

 

 
 


.....Moeder, ik ben nog niet gekleed en ik weet ook nog niet wanneer het zal zijn. Ik bid dat het welhaast mag zijn. Ik verlang toch zo. Augusta, hoe gaat het met uw boerderij? ... “.(“Niet gekleed” betekent dat Marie nog geen kloosterhabijt draagt )

 

Het onderschrift van de kaart luidt: “LES ENFANTS DE L'YSER - RUEIL BOUGIVAL -  Colonie Scolaire 

 

De kinderen zijn in de venstergaten, deurgat en op de trap opgesteld. Ik tel er ongeveer vijftig. De zusters hebben een witte kap.

3. Briefwisseling van frontsoldaten aan gezinsleden.
('t Is hier ook altijd hetzelfde liedje, en hoe lang dat spel nog zal duren weet ik ook niet.)

Veel kaartjes zijn afkomstig van frontsoldaten. De meeste werden gezonden naar Chailly en Brie. Soldaten die afkomstig waren uit het gebied die door de Duitsers bezet was, en dat was het overgrote deel van België, waren vier jaar lang van huis afgesneden. De gelukkigen onder hen hadden in Frankrijk een adres waar ze welkom waren tijdens hun verlofperioden.           

 Maurice Allary en Jules ... waren frontsoldaten die kind aan huis waren bij het gezin Deman in Chailly en Brie. Tijdens hun verlofperiodes logeerden ze er vaak. Jules die een oogje had op Augusta (waarmee Maurice hem plaagde), sneuvelde in de laatste maanden van de oorlog. 

Maurice ontpopte zich als een hartelijk man en een prima schrijver. Hij zond ook kaartjes naar Sarcelles, vooral naar Marie. Ik citeer uit zijn vele kaartjes:

 

We vernemen van Maurice dat de soldaten eind 1917 niet meer binnenmogen in de herberg van Henri Ryckebusch te Bulskamp: “Eergisteren heb ik op de parochie geweest waar gij nog een tijdeke verbleven hebt binst het begin van de oorlog en gepasseerd voor de smis. 't Was onmogelijk eens in te gaan want de herbergen waren niet open voor de soldaten. Vandaar heb ik schone de torens der kerk van Veurne zien staan.”

“Een goeden dag gestuurd vanuit de tranchées. Tot nu toe gaat het God zij gedankt nog alles goed. Den tijd ontbreekt om meer te schrijven.”(tranchée = loopgraaf). 

Uit Parigné-l'Evêcqe op 22-10-17, tijdens een verlofperiode:“Ik dacht dat we naar het front gingen moeten vertrekken... maar het zal nog 8 of 14 dagen zijn. ... Gisteren hebben wij het bezoek gehad van den bisschop van Le Mans. 't Is waarlijk aangenaam zoo een man Gods eens in uw midden te hebben. Dat doet denken aan de tijd van vroeger....”. (In Parigné-l'Evêcqe, in de omgeving van Le Mans, was er een opleidingscentrum voor Belgische militairen).

 

Een kaart met op de voorkant het station van Veurne: “Hier zend ik u nog eens twee zichten. De verledene week heb ik de statie gepasseerd. Er is nog maar weinig schade aan. De ruiten uit. Dat is niet veel, te vergelijken met veel andere plaatsen ... “.

Maurice en Jules waren zeer goede vrienden en schreven aan het front ook kaartjes naar elkaar. Nu schrijft Maurice aan Jules die te Chailly bij August en Renilde verblijft.:“Besten Jules, Deze kaart schrijf ik naar Chailly, daar ik denk dat gij al in congé zijt. Nu zijn we ten volle gereed om te vertrekken (naar het front).... Beste groeten en een hand van verre. Doe dezelfde groeten aan de familie Deman.”

Een ander kaartje naar Jules in Chailly: “Beste vrienden en Jules.   Twee korte regelen om u te laten weten dat alles goed gaat. Donderdag toekomende ga ik nog eens voor zes dagen de tranchees gaan bezoeken in dezelfde streek van de laatste keer. Zoo wees niet ongerust als ik wat achteren ben in mijn schrijven, want daar is het te koud en te moeilijk. Ik zal u schrijven als ik eruit kom, als God mij het geluk geeft die ik wel hoop, maar aan de kogels is niemand vrij. Nu, ik trek er met moed naartoe, dankbaar voor de gebeden die ge voor mij doet ...”

 

Een kaart aan Marie in Sarcelles op 19-6-1917: “....Uwe ouders ben ik zeer dankbaar omdat ik altijd zoo wel ontvangen ben geweest bij hun. Want ik heb het geluk niet mijne geliefde ouders in Frankrijk te hebben. Ik heb hier niemand van de familie ...”.

 

Dan een scheve kaart naar Chailly en Brie: “... Zeker zult ge allen zeggen: Dien zot is nog eens doende. 't Is waar. Maar wat wilt ge? Een mensch moet soms ook eens wat lachen. 't Is beter zich te vergeesti-gen met een scheve kaart te schrijven, dan gelijk vele met slechte (dingen) te vertellen. 't Is vandaag zoo een dag. Ik heb geschreven naar Jules, en ook al om te lachen. Ik weet dat hij er  zeer mee gediend is. ... “ In een hoekje van de kaart en klein gescheven: “Renilde, ge zult moeten uwen bril aandoen want 't is klein geschreven. Au  revoir et bonne santé.... Mijne toegenegene groeten. Maurice Allary”. Dan op de voorkant van de kaart, ook klein geschreven:“Augusta, beaucoup de compliments de Jules, votre bon ami qui vous aime de tout son coeur.” (geestig = plezant, leuk)

 

Dan een kaartje aan Marie in Sarcelles :Vandaag schrijf ik ook aan uw lieve ouders)  

 

“Front, den 12-11-17: Zeer genegene Marie.  Ik vind het als mijn plicht u deze korte woorden te schrijven. Nu  komt mijn geschrift van op het front, van te midden het geraas en gerommel van canons waar wij ons in bevinden. Woensdagavond zijn we hier toegekomen. Welk een verschil hier dan in het eerste (vroeger). Welke verwoeste streek. Tot nu toe mag ik mij, God zij gedankt, gelukkig achten. Veel van mijn maten zijn al de tranchees ingemoeten. De compagnie waar ik mij in bevind zijn er juist uitgekomen. Zoo heb ik chance gehad. ... Allen verlangen we zeer naar het einde van dezen bloeddorstigen oorlog, want deze duurt nu al lang genoeg. Marie, ik zend hier een zicht van Veurne, uwe oude woonplaats. Zeker zult gij er u aan verkennen... “

  

Een kaartje naar Chailly, van het front op 9-12-1917:

 

“Genegen Vrienden... Wij liggen nog voort in repos. De veelte van nieuws kan ik ook niet schrijven. 't Is hier ook altijd hetzelfde liedje, en hoe lang dat spel nog zal duren weet ik ook niet. Ik zend u hier ook een zicht van Lombardszijde. Gij zult er u beter aan verkennen dan ik. 't Is het kasteel van de Comte de Nieuport, ook geheel aan stukken geschoten.  ... Hoe is het met Marcel? Heeft hij niet gesproken van St Nicolaas? Ge moogt hem wijs maken dat Maurice, als hij komt een St Nicolaas zal meebrengen. 'k Zou geerne in congé komen rond nieuwjaar. .. Nu beste wensen aan u allen. Mijne zeer genegen groeten. Maurice Allary.”           

 4. Kaartjes van vrienden aan Gerard en Jeroom.

 

Gerard kreeg vooral correspondentie van jongens van zijn leeftijd. De inhoud ervan is van weinig belang.          

Jeroom was in 1914 zeven jaar en nog te jong om zelf te schrijven. De drie jaar tussen zijn achtste en elfde (in 1918) verbleef hij in de schoolkolonie. Veel vriendjes daarbuiten zal hij niet gekend hebben. Toch is er een Richard Vandevorst, 'trompetter' van het Belgisch leger aan het front die twee keer een kaartje stuurt naar “Gerard en  Jeroom”. Hoe die kennismaking tot stand gekomen is weten we niet. Misschien tijdens een bezoek van de jongens aan hun ouders in Chailly en Brie?         

5. Brieven van kennissen en vrienden aan andere individuele gezinsleden. 

Een leuke brief aan Augusta van haar vriendin NN. Vanbavinckhove in La Rochefoucauld, verzonden op 20-2-1917: 

 

“ Wij zijn hier nog altijd in volle gezondheid en wij verhopen van u allen hetzelfde. Ik heb hier een goê vrijer gevonden, en ge moogt zeker zijn dank hem geerne zien. 't Is spijtig dat gij hier niet zijt. Wij zouden somtijds wel leute hebben hé! 't Is met een fransman dat ik in gang ben. Hij is hier van dezen avond ook bij ons, met zijn ackordion, en wij verzetten ons hier goed, maar toch verlangen wij om weer te keren naar ons vaderland. Wanneer zal dien schonen dag toch komen. Nu laat mij sluiten ... Doet ook de complimenten aan Ciriel Velde en familie .. “ 

 

(August Deman werkte in Chailly en Brie bij Cyriel Vandevelde, dezelfde landbouwer waar hij in St Joris bij werkte.) 

6. Na de wapenstilstand

August was gestorven. Mijn vader, Gerard, had geen keus. Op veertien jaar moest hij gaan werken en mee helpen de kost verdienen. Marie trad in het klooster. Alice was dienstmeisje en zal naast kost en inwoon niet veel verdiend hebben. Augusta bleef thuis met haar moeder en kleine Marcel.  Daarnaast zal Renilde wel een ondersteunig gekregen hebben als weduwe of vluchtelinge.

Weduwe Renilde keerde met haar zes kinderen terug naar België in 1921. Men mocht slechts terugkeren als men een 'terugkeerbewijs' had dat door de overheid verstrekt werd. Maar dat werd enkel overhandigd aan diegenen die nog over een bewoonbaar huis beschikten of een stiel uitoefenden die de wederopbouw ten goede kwam. Aan de terugkeer was een premie verbonden. 

Er zijn twee berichten over St Joris na de oorlog.        

 Het eerste komt van een gewezen frontsoldaat die na St Joris bezocht te hebben, op 27-2-1919 schrijft naar Augusta Deman in Chailly en Brie:

 

            “ ... mijn kinderen kende ik bijna niet meer. Anders heb ik ze allen kloek en gezond teruggevonden. St. Joris bestaat bijna niet meer. Ik heb er geweest met Hector, maar ik kon Veldens hof niet meer vinden. Het huis van u ook niet meer. Alles is versterking geworden. Veele menschen zullen in Frankrijk blijven ... “

 

Het tweede is van Augusta die op 21-8-1920 schrijft vanuit Nieuwpoort naar haar zus Alice in Coulomniers:

 

            “... Wij komen van St Joris. Maar welk een streek! Wij hebben bijna onze ogen uitgekeken. Ons huis verkenden we.  De Sintern (citerne) staat er nog en het is daarmee al. Wij hebben ook te Veldens geweest. Daar staat niets meer recht... “ 

 

Terug in België

 

Een bericht van een zoektocht van Gerard naar werk en woonst. Hij schrijft naar zijn moeder in Coulomniers: “Rousbrugge, dinsdag.  Te Ostende en Brugge hebben we geen woonst gevonden, maar er is veel werk. Dezen morgen vertrekken we van Marie. Wij hebben twee adressen voor woonst te zoeken tusschen Roeselaere en Kortrijk. We zullen werk zoeken in Roeselaere. Dezen avond schrijf ik u wat we hebben gevonden. Gerard.”  Bedenk dat Gerard dan nog maar 17 of 18 jaar was. (de datum ontbreekt op het kaartje)            

 

De verschillende adressen na de terugkeer in België:

 

Brugsche Steenweg, te Joris a/IJzer: Volgens de postdata van de kaartjes waren ze er reeds op 9-10-21 en waren ze er nog in 1926. Het gezin woonde in een noodbarak zoals er vele in die tijd opgericht werden.

 

Gentsche Steenweg 111A, Kortrijk:  in 1928

 

Oudenaerde Straat, 29, Vichte , zeker vanaf 11-12-1928 

 

7. Verdere geschiedenis.

 

Marie trad binnen in het klooster. Vanaf de jaren dertig tot haar dood in 1970 verbleef ze in Het Klooster der Heilige Familie te Ieper. Daar werd onderricht gegeven aan meisjes.            

 Augusta en Alice bleven ongehuwd.         

 Augusta bleef thuis. Toen moeder Renilde in 1939 een beroerte kreeg verzorgde Augusta haar tot Renildes dood in 1948. Daarna ging ze bij Alice in Wevelgem wonen.            

 Alice volgde een opleiding tot verpleegster. In Wevelgem werd ze er bekend als 'de verpleegster van de Bond'. Nog lang na haar pensionnering werd met bewondering en dankbaarheid over haar gesproken.             

 Gerard: Aan de hand van de kaartjes die naar hem geschreven werden, weten we dat hij in de periode van maart 1918 tot einde december 1918 in de Colonie Scolaire Belge te Chevilly (Dept. Seine) verbleef, en daarna in de Ecole Professionnel Belge te Ste Illiers-le-bois, par Bréval (Dept. Seine). Vervolgens werkte hij in verschillende bedrijven of werkplaatsen. Hij werd werktuigkundige en huwde met Maria Hubrecht. Ze kregen vijf kinderen, waarvan ik er een ben.         

 Jeroom werd eveneens werktuigkundige en huwde met Germaine Callant. Ze kregen zeven kinderen. In 1952 emigreerden ze naar Canada.            

 Marcel huwde met Maria Pareit. Ze kregen vijf kinderen. Marcel werd technisch leraar. 

 

Bijvoegsel: Een verkeerd jaartal. 

 

Op zijn eerste kaartje vanuit Sarcelles vulde Gerard een verkeerd jaartal in: 1915 in plaats van 1914 

 


Ik heb daar een tijd in verwarring over verkeerd. Kon het zijn dat de kinderen al in de schoolkolonie in Sarcelles verbleven, nog voor het begin van de oorlog? De oorlog begon op 4 augustus 1914 met de inval  van de Duitsers in België. Gerard dateert zijn kaartje op 31 juli 1914!           

Dan vond ik het kaartje dat vader August naar zijn zoon terugschreef. Het is afgestempeld op 11-12 augustus van 1915. Bij nader toezien zag ik dat ook vaders kaartje in 1915 was afgestempeld  (bij aankomst in Veurne).            

Op de voorkant van de kaart van August staan de reeds gedeeltelijk verwoeste hallen van Ieper afgebeeld, met de jaartallen 1914-1915. 


 

 
 


                       

 

Neergeschreven door Joris Deman